1969-1970

Maatstaf. Jaargang 17 (1969-1970) [tijdschrift] Maatstaf

Martin Mooij
in gesprek met Bertus Meijer

 

Hoe leer je mensen kennen?
Met Bertus Meijer was dat voor mij zo’n jaar of twintig geleden een nogal wonderlijke zaak. Ik bracht toen een groot deel van m’n vrije tijd en soms ook wel die van m’n baas door bij de dichter Freek van Leeuwen, die in die periode nog in Rotterdam woonde. Van Leeuwen was dovig en daarbij tamelijk terughoudend. Het lukte me niet altijd een gesprek met hem op gang te brengen. In zulke ogenblikken van zwijgzaamheid kon het dan gebeuren, dat ik vooral op zondagmiddagen in de aangrenzende kamer een mannenstem hoorde voorlezen.
Freek van Leeuwen had me al verteld, dat die stem bij Bertus Meijer behoorde, een huisschilder, die ook romans en verhalen schreef. Ik heb nooit geweten, waarom Meijer hardop zijn manuscripten las. In ieder geval hield hij er altijd mee op, wanneer er meer bezoek voor Van Leeuwen kwam. Soms moesten we elkaar op een nauw gangetje passeren, maar tot een gesprek kwam het die eerste tijd nauwelijks. Eigenlijk heeft dat wel jaren geduurd. Bertus Meijer kende ik alleen uit zijn nog niet gepubliceerde proza en uit hetgeen Freek over hem vertelde.
Meijer is, zoals dat heet, even oud als het jaar. Hij is van geboorte Rotterdammer en hij komt uit een orthodox-chrirstelijk milieu. Na zijn vijftiende jaar kwam hij echter niet meer in de kerk. Hij moest al vroeg gaan werken en hij werd huisschilder. Daarnaast bezocht hij samen met de latere lithograaf en schilder Wout van Heusden de avondacademie voor beeldende kunsten. Na drie jaar ging de literatuur hem echter meer trekken. Hij las alles wat los en vast zat en het is heel goed mogelijk, dat de roman De Politiespion van Maxim Gorki hem aanzette om zelf te gaan schrijven.

In de loop der jaren werden dat ongeveer tien boeken, die de uiterst bescheiden Bertus Meijer overigens nauwelijks enige bekendheid brachten. Hij bleef huisschilder totdat hij in 1965 met A.O.W. ging. Wel is er nog eens sprake van geweest, dat zijn roman Mischa in Frankrijk zou worden verfilmd. Hij heeft er echter naderhand nooit meer iets over gehoord.
Bertus Meijer was al vroeg maatschappelijk en politiek geëngageerd. Hij voelde zich aanvankelijk sterk tot het communisme aangetrokken, maar wonderlijk genoeg heeft hij in de eerste tien jaar, dat hij aan het communistische dagblad De Tribune meewerkte, van 1920 tot 1930, nooit contact gehad met één van de redacteuren.
Hij publiceerde in diezelfde tijd trouwens ook in burgerlijke weekbladen als Groot Rotterdam en De Spiegel. Daar wisten ze niet, dat hij met de communisten sympathiseerde. Meijer is uit zichzelf gaan schrijven. Hij is daarbij door niemand geholpen. Wel stond hij onder een sterke invloed van de Russische klassieken, die hij na Gorki had leren kennen.
De Nederlandse letterkunde zei hem niet veel. ‘Van een meneer van Deyssel werd ik niet veel wijzer.’ Dat gold trouwens ook voor de socialistische poëzie uit het begin van de jaren twintig, zoals de verzen van Adema van Scheltema en de gezusters Vos. ‘Dat zei me niks, want de werkelijkheid op m’n werk was heel anders. Dat sloeg niet aan. Ik heb ze wel gelezen, maar ik kan niet zeggen, dat ik er kapot van was. Misschien was het wel aardig voor middenstanders en zo.’
Met zijn collega’s op ‘het werk heeft Bertus Meijer nooit over zíjn letterkundige bezigheden gesproken. ‘Die vinden dat alleen maar gek. Zoiets doe je niet, wat koop je er voor…’ In zijn familiekring was dat aanvankelijk al niet anders. ‘M’n ouders wisten er niet van. M’n broer ook niet, want die zat bij het Christelijk onderwijs.’
De rol van Bertus Meijer als proletarisch schrijver is altijd zeer bescheiden geweest. Zijn literaire produktie van na 1935 is trouwens in het geheel niet meer revolutionair. Toch zijn z’n

ervaringen van voor die tijd niet zonder belang en ze dienen te worden vastgelegd.

‘M’n eerste contact met Jef Last moet zo ongeveer in 1930 zijn geweest. Hij was toen secretaris van Henk Sneevliet en ik had in diens blad, De Nieuwe Weg, een gedicht gepubliceerd, Verrek, geloof ik. Daarna heb ik ze toen een novelle gestuurd, maar die was te lang of zo.’

‘Ja, daarna heeft Jef Last me geschreven. Hij nodigde me uit om naar Amsterdam te komen voor een literaire avond. Daar hebben Jac. van Hattum en hijzelf voorgelezen uit eigen werk en dat konden toen ook jonge arbeiders doen. Ik heb m’n novelle Bevrijding voorgelezen. Die is later opgenomen in m’n bundel Worstelingen.’

‘Nee, ik kan niet zeggen, dat ik toen veel contact met Jef Last had. Dat lag niet aan hem, maar meer aan mezelf. Ik krijg niet makkelijk contact met mensen, die ik niet ken.’

‘Nou, daarna hebben we met zes mensen een toneelstuk geschreven, Hollands Welvaren, met een scherpe kritiek op de crisisjaren. Dat was ook een initiatief van Jef. leder kreeg een deel om te schrijven. Voornamelijk Jef Last en Klaas Smelik en dan Katan, daar heb ik later nooit meer van gehoord. Ik heb er zelf ook verschillende gedeelten voor geschreven, evenals Jac. van Hattum. Freek van Leeuwen heeft gedichten geleverd. Nee, het is niks geworden.’

‘Nee, helemaal niks. We kwamen toen bij elkaar bij Liesbeth Sanders, maar die wilde het niet voorlezen. Het was nogal schokkend. Louis van Gasteren heeft het nog doorgenomen met een groep amateurs in Den Haag, maar die zei: Er deugt geen donder van!’

‘Ja, het was ook weer in navolging van de Russen. Die hadden toen zoiets als Proletkult. Maar bij ons ging het niet. Maar het is wel gedrukt en ook nog verkocht. Ze konden het alleen niet spelen.’

‘Nee, ik heb geen exemplaar meer. Ook niet meer van Links Richten. Dat was ook een idee van Jef Last. Het was een arbeiders-schrijvers-collectief. De bedoeling was om de arbeiders tot zelfexpressie te brengen. In de praktijk is het eigenlijk in Rotterdam begonnen, vooral door Freek van Leeuwen.’

‘Ja, die woonde toen hier op de Beukelsdijk en die nodigde wat mensen uit om tot een actiegroep te komen. Pas later ben ik goed met Freek in contact gekomen.’

‘Het begon met een min of meer poëtisch manifest. Een beetje onwerkelijk misschien en ook een beetje poëtisch. Het is door Freek en mij geschreven naar aanleiding van een grote huurdersstaking in de Tuindersstraat in Rotterdam. Daar woonden vooral werkelozen en die konden de huur niet meer betalen. Daar werden acties gevoerd en daar waren politie-charges net als tegenwoordig in Amsterdam.’

‘Daar verkochten we ons manifest voor één cent. Of het aansprak? Dat weet ik niet. Ze kochten het. Het was een beetje vaag, over de wereldrevolutie of zo. Nee, de politie deed ons niets. Met de communisten hadden we wel moeilijkheden. Die zeiden, dat we hun actie doorkruisten. Ze zaten met hun comité in een winkeltje. Daar hebben we nog een heel gesprek gehad. Achteraf viel het wel mee. Frenay had toen de leiding van die communisten daar, dat is die latere N.S.B.-er.’

‘Toen kwam Geert van Oorschot er bij en Henk Bruyntjes voor de administratie. Ik heb nog nooit een man meegemaakt, die zo ontzettend goed kon verkopen als Van Oorschot. Hij verkocht dichtbundels in slagerswinkels. Als ze maar van hem af waren. ’n Geweldige verkoper.’

‘Het eerste bundeltje, dat was van Freek van Leeuwen. Uitverkoop. Haast helemaal door Van Oorschot verkocht. Freek was de begaafdste van ons allemaal. Zulke verzen als van hem werden er toen nog niet in Nederland geschreven. De gedichten van Adema van Scheltema, de Vossen en Stuiveling zijn daarbij zondagsschoolrijmpjes. Uitverkoop werd op arbeidersvergaderingen verkocht.’

‘De tweede bundel was van Van Oorschot zelf. Die heette Gevangenis, die verzen waren door hem als dienstweigeraar in de cel geschreven. Die bundel was ook gauw uitverkocht. Nee, ze kregen geen honorarium. Trouwens, ook in het tijdschrift Links Richten werden de publikaties niet betaald.’

‘Van lependaal kwam er toen ook bij. ’n Aardige vent. Had ook in de gevangenis gezeten. Z’n Liederen van de Zelfkant vond ik erg goed. Dat was weer iets heel anders, he?’

‘Ja, er kwamen ook andere bundels, zoals Verzet en Twente staakt! Freek is toen nog als correspondent naar Enschede geweest. Er kwamen toen ook veel communisten bij. Daarom is Van Oorschot eruit gelopen. Trouwens ook andere sociaaldemocraten.’

‘Het tijdschrift? Ja, het eerste nummer heeft Freek samengesteld. Daarna is Maurits Dekker er bij gekomen. Die had veel meer ervaring. Dat was trouwens een erg aardige man. Freek had zoiets nog nooit gedaan. Er waren nog meer redacteuren. Jef Last, maar die zat in die tijd veel in Moskou. En Klinkhamer, dat was een gewone arbeider. Verder Frans Goedhart en Nico Rost en Gerard Vanter natuurlijk. Dat is de vader van G.K. van het Reve.’

‘Nee, ik ben nooit redacteur geweest. Ik was medewerker. Ik vond het niet zo belangrijk om redacteur te zijn. Maar Links Richten was wel het eerste echte arbeiderstijdschrift. Paul Schuitema was er ook bij, je weet wel, die leraar van de academie. In het atelier van Schuitema hebben we heel wat geëxperimenteerd en klaargestoofd. Onder andere werden er Agltpropstukken ingestudeerd. Dat was een nieuwe vorm van strijdbaar toneel. Ze hebben ook één van mijn crisisgedichten, Arbeiders gevraagd, voorgedragen. Mevrouw Challa, een vroegere operazangeres en de vrouw van Louis van Gasteren heeft in het Verkooplokaal haar protestliederen gezongen, dat was in die zaal, waarin Troelstra destijds zijn mislukte revolutie aankondigde. Daar ben ik indertijd nog bij geweest.’

‘Links Richten heeft maar een jaar geduurd. Later is Links Front er voor in de plaats gekomen. Dat was toch wel een fijne tijd. Er gebeurde tenminste iets. Er waren eigenlijk ook veel dieptepunten. De Zeven Provinciën, die Nederlandse kruiser, werd gebombardeerd. Hitler kwam aan de macht. Er kwamen Duitse vluchtelingen naar Nederland. A. de Kom trouwens ook. Dat was die Surinaamse nationalist. We hadden overal mee te maken.’

‘Waarom Links Richten niet verder kon verschijnen? Dat is eigenlijk heel gewoon. Het is niet mogelijk om werkeloze arbeiders een blad te laten betalen. Het werd op den duur een financiële debâcle. En bovendien, er kwamen steeds minder arbeiders aan te pas. Sam Goudsmit heeft meegedaan en Du Perron en Greshoff kregen er zijdelings mee te maken. Van Marsman verscheen er een z.g. revolutionair gedicht onder pseudoniem. Alleen Freek van Leeuwen had dat van het begin af door, maar Jef is erin getrapt. Er werd nog wel eens iets van een arbeider-schrijver gepubliceerd, zoals van A. de Kom. We hebben fragmenten van zijn “Wij slaven van Suriname” afgedrukt, maar in het geheel genomen kwamen de arbeiders er steeds minder aan te pas.’

‘En verder, nou ja, met het blad viel Links Richten als beweging uit elkaar, maar de verschillende vroegere leden bleven toch contact met elkaar houden. Omdat Freek van Leeuwen zonder middelen van bestaan was, kwam hij bij ons inwonen. Eerst in de Loofdakstraat, later in de Rozengaarde in Vreeuwijk. Hij is op het gebied van de letterkunde mijn voornaamste leermeester geweest, want na de lagere school was ik zonder meer op de maatschappij losgelaten. Zijn kritiek op mijn schrijverij was meedogenloos, maar ik ben toch doorgegaan. Onder andere over Vlasblom, een jongeman, die van de zestig meter hoge hefbrug in de Koningshaven was gesprongen. Dat fascineerde me. Dat was ook een arbeidersjongen, een darmenschrapper op het abattoir die liet zien, dat hij tot een bijzondere prestatie in staat was. Mijn novelle Salto Mortale is daarop geïnspireerd. Ook Rinus van der Lubbe en de brandstichting in het Rijksdaggebouw maakte indertijd diepe indruk op me. Ook weer een arbeidersjongen, die, ofschoon hij misbruikt werd door het Hitler-fascisme, een grote daad wilde stellen.’

‘Ja, ik ben lid geweest van de communistische partij. Een paar maanden maar en vooral op advies van Jef. Die vond het beter dat de bestuurders van Links Richten lid waren van de partij. Dan kon de partij, wanneer dat moest, zijn invloed blijven uitoefenen. Ik ben ook wel eens berispt vanuit Moskou. Liever voortaan geen christelijke symbolen in mijn poëzie. Maar natuurlijk, van een revolutionair tribunaal was geen sprake. Ik ben ook trouwens nooit op een partijvergadering geweest en na Links Richten ben ik er ook al weer gauw uitgegaan. Ik was geen partijmens.’

‘Freek heeft vier jaar bij ons gewoond. Natuurlijk niet aan één stuk. Zo nu en dan ging hij voor een paar maanden weg, naar Antwerpen. Maar ik was altijd blij wanneer hij terug was. Hij kon heel stil zijn, maar hij kon soms ook hele nachten door blijven praten. Dan hadden we geen tijd om naar bed te gaan. Nee, m’n vrouw had er niets op tegen. Weet je, Freek kon ook heel gewoon praten. Die had begrip voor alle mogelijke gewone dingen. Die was niet alleen maar dichter.’

‘Er kwamen toen veel Duitse emigranten naar Nederland. Op een avond om twaalf uur stond er bij ons één voor de deur. Harry Domela. Ik herkende hem meteen. Ik had zijn boek, Van Paria tot Prins van Pruisen, gelezen en ik had de film, waarin hij de hoofdrol speelde, gezien. Hij kwam voor Freek, maar die was er niet. Hij kwam binnen en hij is met onderbrekingen in totaal ongeveer acht maanden gebleven. Ik was werkeloos en we zaten financieel helemaal aan de grond. Maar Harry was een fijn mens. Jef had hem naar ons toegestuurd voor Freek. Ik kon hem toch niet wegsturen?’

‘Ja, we moesten oppassen voor de politie. Harry had geen verblijfsvergunning. Ze zagen hem aan voor een soort oplichter. Hij had immers vier maanden lang voor de kroonprins van Pruisen gefungeerd. Hij werd gevierd door alle “jonkers”. Graaf Helldorf, de latere politiepresident van Berlijn, had voor hem in de houding gestaan. Naderhand heeft hij mensen ontmoet als Einstein en Karin Michaelis.’

‘Hier werd hij soms ook gezien als een oplichter. Mevrouw Mankes-Zernike, die vrijzinnige dominee, wilde geen boek van hem kopen. Ze heeft hem, geloof ik, wel twee gulden gegeven. Freek ging toen altijd met hem mee. Piet Begeer heeft zich later nog heel erg geschaamd, omdat hij in Harry eerst ook de oplichter had gezien. Dat heeft hem later nogal dwars gezeten. Maar Piet Begeer kwam er voor uit.’

‘Volgens mij was Harry Domela helemaal geen oplichter. Het was werkelijk een prins in zijn optreden, ik bedoel, het was een heer in de beste zin van het woord. Een belangrijker man dan Freek en Wout van Heusden, die ik al veel langer kende, heb ik nooit meer ontmoet. Hij had een heel brede ontwikkeling.’

‘Harry was een jaar of vijf jonger dan ik. Toen hij 21 was, heeft hij voor Prins van Pruisen gespeeld. Hij heeft mij gezegd, dat hij het niet meer zou durven. Het was te roekeloos. Dat ze hem voor kroonprins aanzagen zegt wel genoeg van het geestelijk peil van de latere, hoge Nazi’s. In 1936 is hij samen met Jef Last naar Spanje gegaan. Daar heeft hij aan de kant van de Republiek gevochten.’

‘Of ik een boek over hem zou kunnen schrijven? Ja, heel graag zelfs, maar ik geloof niet, dat ik dat moet doen. Ik geloof niet, dat hij het prettig zou vinden aan die episode in zijn leven herinnerd te worden. Het was alleen maar ellende en armoede. Ik weet, dat hij leeft, maar niet wat er van hem geworden is. Ik vind het niet leuk om het buiten zijn wil te doen, maar eerlijk gezegd, ik zou nog genoeg over hem kunnen schrijven. Zijn geschiedenis is de mooiste Köpenickiade. Maar nogmaals, ik vind het niet leuk het buiten hem om te doen. Dat mag je niet om alleen maar een boek.’

‘Hoe we met Freek en Harry moesten leven, wil je weten? Laat ik je één ding zeggen. Een pakje boter kostte toen elf cent. Nou, dat moesten we nog met karnemelk aanlengen.’

‘Inderdaad, ik ben nooit een politiek schrijver geweest. Mensen interesseren me meer dan partijen. Maar dat neemt niet weg, dat ik toch wel een andere maatschappijvorm noodzakelijk vind. Het ligt alleen niet in m’n aard om mijzelf daarvoor helemaal in te zetten. Dat kan ik niet. Freek kon dat in laatste instantie ook niet. Mensen interesseren me meer. Misschien vind je hierover toch weer wat meer in m’n laatste roman, De Wreker, maar die is nog niet uitgegeven.’

‘Het fijnste in m’n leven? Laat ik het zo zeggen, ik vind, dat ik heel erg geboft heb, dat nog zoveel mensen m’n boeken hebben willen lezen. Ik heb maar een bescheiden talent en ik heb altijd geworsteld met m’n taal. Van Simenon heb ik na de oorlog nog veel geleerd. Maar dat terzijde. Dat ze m’n boeken hebben willen lezen, dat vind ik fijn.’